Home » 97. Speelplaats bij Nieuw Herlaer

97. Speelplaats bij Herlaer


Speelplaats bij Herlear


Eerste maandblad De Vriend, was verschenen op 1 januari 1906

;Met mijn dank aan Rene van der Veen

Reactie plaatsen

Reacties

Rene van der Veen
7 jaar geleden

Lezers en kijkers. Na het begin van 1828 het probleem van de finacieel.
Het vroeger in 1828 was het begonnen dat Mgr M v Beek heeft 4 volwassen stoofstomme onderwezen in zijn de woning in Gemert. De langzaamerhand zijn nog de doofstommen leerlingen er bij gekomen, Voor Mgr M v Beek als de functie in elke dag ook de lessen heeft gegeven in Latijnse School, daarna in elke avond een paar uren voor de volwassen doofstomme ook de lessen heeft gegeven. Voor hem was de enige tijd iets het probleem van de financieel, maar hij was niet allleen en het hulp van Mgr Den Dubbelden elkaar hebben samengewerkt voor de doofstommen leerlingen. Voor het jaar zijn nog steeds 46 doofstommen leerlingen bijgekomen in Gemert. De Woning van Mgr M v Beek heeft geen ruimte meer voor her komende doofstommen leerlingen, die brengt het groot probleem van de financieel, waaronder de subsidie de gedeeltelijk en geheel wordt vervalt. en kreeg Mgr M v Beek helemaal geen steun meer van de Nederlandse regering.
(protestant regering).Tenslotte ging hij naar de pastoor Mgr den Dubbelden toe en vertelde dat Mgr M v Beek zou van plan voor de doofstommen leerlingen de lessen stoppen, de reden van het gebrek de financieel dat kunt helemaal niet onderhouden. Mgr den Dubbelden schrok er van, dan ging de onmiddelijk naar de bisdom van Den Bosch en Breda de bisschoppen Mgr Zwijsen en Mgr Hooydonk overleggen en kwam het geluk dat Mgr M v Beek kreeg de steun van de Zusters de dochter van Maria en Jozef uit Den Bosch en ook van de Broeders Xaverius uit Brugge. De opdracht van de bisdom van Den Bosch en Breda, dat het kasteel in Nieuw-Herlaer de voorheen van de bisschoppelijke seminarie wordt in het gebruik gemaakt voor de oprichting van het instituut voor doofstommen Nieuw-Herlaer. Waaronder de eerste de directeur Van het instituut Mgr M van Beek tot met 1851 de opvolger de priester M van Bommel tot met 1864 volgde de priester Theo Slits als de directeur zijn zeer ervaringen van de financieel van het inkomsten en uitgaven. hij zorgde er vooral de financieel nog extra bijspringen van de subisdie voor de doofstommen leerlingen die hun ouders de lage inkomen dat kunnen ze niet volledig betalen voor de kostgeld. In 1851 kwam Mgr C Terwindt op het instituut als de priesterleraar. hij zou maar liefst 59 jaar onafgebroken werkzaam zijn op het instituut in Nieuw-Herlaer. Over 25 jaar later werd hij als de directeur van het instituut in 1878, dat hij onder 33 jaar lang als de directeurschap bezuinigd van de financieel. In 1902 kwam Mgr A Hermus op het instituut als de priesterleraar en over 7 jaar later wordt hij de directeur van het instituut. Dat deed hij zijn een goede idee om de giften te vragen>
GIFTEN:
Naast de reeds bestaande reservers van het instituut was het benodigde geld bij elkaar gebracht door giften van katholieken uit het gehele land. Legaten, spontane giften en collecties zorgden jaarlijks voor een fors bedrag. Vanaf een bijdrage van een gulden ( euro 0,45) kon iemand abonnee worden van het instituut voor doven. Een groep correspondenten, vaak katholieke burgers met enige aanzien, wierven in hun woonplaats abonnees en zorgden voor de ining van de abonnementensgelden. Ook subisdies deden een aardige door in het zakje, onder meer door een verhoging van de jaarlijkse bijdrage van de provincie Noord-Brabant.
DE VRIEND DER DOOFSTOMMEN:
Tijdens het internationale Doofstommencongres in Luik (B) gehouden in Augustus 1905 . vernam Mgr A Hermus wat een Duits instituut in Kempen voor de Godienstige nazorg van pou-leerlingen deed. Net als in Sint Michielsgestel was er een jaarlijkse retratie en werden er op de vele plaatsen 'S Zpndags gebedbijeenkomsten voor doven gehouden, Maar er was ook iets, dat bijzondere aandacht van Mgr a Hermus trok: de uitgave van een maandelijks verschijnd tidschrift, der Taubstummenfurhrer, Bij terugkomst zette Mgr A Hermus alles in het werk om ook een dergelijk blad in Sint Michielsgestel op te zetten. Met een eigen (bisschoppelijke} drukkerij en enkele belezen scribenten moest dat geen probleem zijn. Binnen enkele maanden, in Januari 1906 verscheen het eerste nummer.
De inleiding laat er geen misverstand over bestaan. De Vriend is een godienstig tijdschrift, dat haar lezers wil onderrichten in de waarheden van het Heilige Geloof, hen op te wekken tot een Christelijken levenswandel te waarschuwen tegen de gevaren voor hunnen deugd.
Elke aflevering begon met een hoofdartikel over een religieus onderwerp, zoals de betekenis van Pasen, de zeven hoofdzonden of het leven van de Heilige. Daarna volgde nog een stichtelijk verhaal, tenslotte gevolgd door enkele nieuwtjes en mededelingen. Ook stonden in het blad regelmatig waarschuwingen tegen verkeersdrukte en ongelukken met doven, die een auto of kar niet hadden horen aankomenDe meeste artikelen hadden stichtelijke thema's zoals luierd en hard werken, naastenliefde, bedrog, en te innig contact met andere doofstommen'. De toon en de aard de artikelen van belerend . Volgens het blad voldeed de inhoud echter aan de wensen van veel oud-leerlingen, geruige de honderden dankbrieven die de redactie ontving na het verschijnen van het eerste nummer. De behoefte aan contact, informatie en geestelijke ondersteuning was kennelijk groot. 'O, eerwaarder Heer' schreef een van de oude-leerlingen, wat hebt gij een nuttig werk ondernomen voor de doofstommen met de uitgave van dit godsdienstig maandschrift. Ik werk met nog een anderen doofstomme in een fabriek. En daar zie ik veel dat slecht is. Mijn baas is slecht en de wrrklieden zijn slecht. En zij sporen mij aan, om ook slecht te zijn. En niemand is er, die ons spreekt over God en de deugd en ons opwekt tot een braaf leven'. Waarschijnelijk was de serieuze inhoud voor veel oud-leerlingen toch wat al teveel van het goede. Om het blad voor de lezers aantrekkelijker te maken, voegde de redactie er na enkele nummers een moppenrommel aan toe. Zo op het instituut bestaat de drukkerij en hostiebakkerij die brengt het hoge inkomsten voor het instituut voor doven.
Rene van der Veen.

Rene van der Veen
7 jaar geleden

Lezers en kijkers. Hier gaat over het eerste nummer van de Vriend.
Voor 1 Januari 1906 verscheen het tijdschrift De Vriend der Doofstommen. Godsdienstig Maandschrift voor R.K. Doofstommen, kortweg aangeduid als " De Vriend " Het titelblad van de eerste jaargangen zal vol symboliek. Centraal staat de genezing van een doofstomme jongen door Jezus met in de rand het woord " Epheta " (Grieks voor woord geopend) en de latijnse spreuk " Surdos fecit audire et mutos loqui " (De dovendeed hij horen en de stommen spreken) Rechtsboven is een portert afgebeeld van Francisus van Sales de beschermheilige van de doven. In de vier hoeken sataan boven de wapens van de bisschoppen van S'Hertogenbosch (Rechts) en Breda (Links), beneden de wapens van Nederland (rechts) en van de toemalige Paus Pius X (Links)
De rozen staan symbool voor de christelijke naastenliefde van onderwijzers en onderwijzeressen. De Vriend schrijft daarover. De Broeders en Zusters van liefde, de onderwijzeres van wie gij zoveel hebt geleerd, hebben u niet onderwezen voor hun plezier. Zij hebben u niet onderricht, omdat het zoo aangenaamis. Kleine en dikwijls domme kinderen in de school te onderwijzen, maar omdat zij u beminden. Zij hadden een groote liefde tot den evennaaste, gelijk Jezus Christus die geboden heeft, en daarom hebben zij den doofstommen onderwezen en doen zij dat nu nog. Zij geven geen onderwijs voor hun plezier, integendeel, het doofstommenonderwijs is moeilijk en lastig. Dat betekenen de doornen van de ruizenstruik op de plaat. Die wijzen dus op de moeite, die de onderwijzers hebben met de doofstomme kinderen.
Twee stichtelijke verhalen.
Lange tijd had De Vriend een sterk stichtelijk karakter. De katholieke leer van alle voorschriften, geboden en zaligheden stonden centraal. Met de hostie viel absoluut niet te spotten, zeker niet bij een instituut dat een vooraanstande hostiebakkerij herbergte, getuige onderstaand artikel. Ook de strijd tussen katholieken en Protestanten was nog bijzonder fel, zoals blijkt uit het tweede artikel.
De HeiligSchennis te Hoei.
Afgrijselijk is de heiligschennis wanneer zij bedreven wordt met volle verstand, opzettelijk, uit haat en boosheid jegens het aanbiddelijk sacrament des altaars. Elke vrome katholiek gaat eene huivering door al zijne ledmaten en hij is verwonderd dat de wraak des hemels den booswicht niet terstond verplettert.
Zulk eene afschuwelijke misdaad werd bedreven te Hoei op Zondag den 10den Januari 1876. Op dien dag begaven zich de studenden der normaalschool naar de kerk van O.L.V. om er ter heilige tafel te naderen. Een hunner benoemde er zich op in tegenwoordigheid zijner makkers, dat hij eene heiligschennende communie zou doen, de H. Hostie niet doorhalen (doorslikken) naar haar bewaren zou, om zich er later mede te vermaken. Na het ontbijt haalde hij de H. Hostie tevoorschijn en liet haar spottende aan zijne medeleerlingen zien, om hunne toejuchting voor zijne afschuwelijk misdaad in te oogsten. Eenigen hitsten hem aan zijn helse werk voort te zetten. Hij votrok zijn schelmstok en nuttige de H. Hostie op een stuk koek. Den volgenden nacht omtrent twee uren stond opeens geheel de school in brand. zoo spoedig had het vuur zich door het gesticht verspreid, dat de leerlingen bijna den tijd niet hadden de slaapzaal te ontvluchten. De oorzaak van dien brand bleef onbekend, doch toen de schrikkelijke heiligschennis van den vorigen dag openbaar werd was niemand over die ramp verwonderd. Algemeen werd het als een straf des hemels aangezien. Die straf was echter een bramhartige vermaning voor den schuldige. De Heer dien hij zoo gruwelijk beleedigd had, spaarde hem, om hem tot boetevaardigheid op te wekken. uit de Vriend Juni 1906.
Een Ernstige waarschuwing voor onze oud-leerling.
In het Heilige evangelie staat ergens geschreven, dat Jezus op zekeren dag deze vermanning deed horen. "Wacht u voor valsch profeten, die in schaapskleederen tot u komen, doch onweding roofzuchtige wolven zijn " Onder valsche profeten worden hier vooral verstaan en valsche leeraars, de leeraars van een valschen godsdienst bijvoorbeeld van het Protestantismus. Onlangs werd mij door den vader van een onzer oud-leerlingen medegedeeld dat zich een dominee bij hem vervoegd had, om zijne doofstommen dochter te spreken. Het bevreemdde ons wel eenigszins, dat de vader daartoe verlof gaf en wij hebben hem daarom ook in het belang van zijn kind dringend gevraagd, dit niet meer toe te staan, aan welk verzoek hij gaarne voldoen zal. Die dominee sprak zeer zalvend en opbeurend tot het kind.
Duidelijk dat de valsche leeraar, in schaapskleederen tot u komend. Voor wien gij echter op uwe hoede moet zijn, als jij niet wilt, dat u de kostbare schat van uw Heilige Geloof ontroofd wordt. Wij hebben andere doofstommen gekend die aldus door te luisteren naar de goedaardige leeraars hun Heilige Geloof den grootsten schat, dien zij op aarde bezitten verloren hebben A. Hermus in De Vriend 1906.
Rene van der Veen.

Rene van der Veen
7 jaar geleden

Lezers en kijkers. Van 1840 tot met 1991 onder de
Directeurschap van het instituut voor Doven te Sint Michielsgestel zijn.
1. Mgr M van Beek 1840 - 1851 in 11 jaar.
2. M van Bommel 1851 - 1864 in 13 jaar.
3. T. Slits 1864 - 1876 in 12 jaar.
4. Mgr C Terwindt 1876 - 1909 in 33 jaar.
5. Mgr A Hermus 1909 - 1940 in 31 jaar.
6. Mgr J van Overbeek 1940 - 1966 in 27 jaar.
7. J v Eijndhoven 1966 - 1991 in 25 jaar.
Totaal in 152 jaar in de tijd van 7 Directeuren van het instituut voor doven te Sint Michielsgestel.
Rene van der Veen.

Rene van der Veen
7 jaar geleden

Lezers en kijkers. hier over de ijverig bewind van Mgr C Terwind en de oude leerlingen geven Les.
Als jongeman van 25 jaar werd de pas gewijde priester Christianus Terwindt in 1851 leraar van het instituut. Hij zou maar liefst 59 jaar onafgebroken werkzaam zijn op Nieuw-Herlaer, waarvan 33 jaar als directeur. Zijn beleid was gericht op consolidatie en een rustige, maar gestage uitbreiding van de werkzaamheden.
Op onderwijsgebied ging hij voort op de ingeslagen weg, Terwindt hechtte bijzonder veel belang aan Katecgismusles, dat hij dagelijks gaf, Tot op hoge leeftijd bleef hij zijn leerlingen godsdienstlessen geven. Ook begon hij in 1883 met de jaarlijkse bezinningsdagen voor mannelijk oude leerlingen. Zij mochten tijdens Pinksteren in die tijd hun enige Vakantieperiode - enkele dagen teruggekomen naar het instituut, om daar inn retratie te gaan. Wegens zijn buitengewone bezorgdheid voor het zedelijk welzijn der meisjes was hij er niet toe te bewegen ook de vrouwelijk oude-leerlingen een vakantie toe te staan en hen met Pinksteren in Nieuw-Herlaer te ontvangen. In 1888 benoemde Paus Pius hem vanwege zijn vele verdiensten tot Geheim Kamerheer . Vanaf dat moment mocht hij zich Monseigneur (Mgr) noemen, een titel die ook door bisschoppen werd gevoerd.
Bij zijn dood in 1910 werd hij geeerd als vriend en weldoener der doofstommen. Met grote nauwgezetheid, zuinigheid en ijver had hij de belangen van het instituut en het geloof behartigd. Tegen het einde van zijn directeurschap stond het instituut voor doven ingrijpende veranderingen te wachten. Met de invoering van de zuivere spreekmethode en de bouw van een nieuw complex ging het instituut voor doofstommen een nieuwe tijd tegenmoet.
Oude-leerlingen geven les.
Vanaf 1840 na de oprichting van de nieuwe organisatie instituut voor doofstommen te Sint Michielsgestel werd directeur Van Beek bijgestaan door religieuzen. De meisjes werden onderwezen door de Zusters van de Choorstraat. Ook Maria Kuypers, een dove vrouw en oud-leerlinge van Van Beek, hielp mee in het onderwijs. Van Beek zelf gaf les aan de jongens, samen met drie Broeders Xaverianen, die vanaf 1845 werden opgevolgd door de Broeders van Maastricht. Ook bij de jongens was een oud-leerling werkzaam, namelijk Antonius Megens. Hij gaf les aan de jongste kinderen en was bijzonder bekwaam.
Rene van der Veen.

Rene van der Veen
7 jaar geleden

Lezers en kijkers. hier schrijf ik over de verhuizing van Gemert naar een kasteel in Sint Michielsgestel (Nieuw Herlaer) Het toeval wilde dat juist in die tijd het kasteel Nieuw-Herlaer in Sint Michielsgestel leeg kwam te staan door de verhuizing van de aldaar gevestigde priesteropleiding. Na rijp beraad besloten Den Dubbelden en Van hooydonk hier het vernieuwde doveninstituut te vestigen. Er werden de nodige voorbereidingen getroffen en op 30 September 1840, twee dagen voor de officele opening, vertrokken 46 leerlingen en hun begeleiders vanuit Gemert naar Sint Michielsgestel. Ze voeren eerst met de trekschuit over de Zuid-Willemsvaart tot aan de sluis van Middelrode. Daar werden ze opgewacht door inwoners van Sint Michielsgestel, die hen per kar verder brachten, Met de Burgermeester aan het hoofd, kwam zo de stoet op Nieuw-Herlaer aan. Het voormalige kasteel bood voldoende ruimte voor een internaat met slaapzalen, leslokalen, werkplaatsen en een drukkerij. Ook was een scheiding der seksen mogelijk met een aparte jongens en meisjesafdeling. De Zusters van de Choorstraat ontfermden zich over de meisjes, terwijl de Broeders Xaverianen van Brugge, later gevolgd door de Broeders der Onbevlekte Ontvangenis van Maastricht, de zorg voor de jongens op zich nemen. Het dovenonderwijs voorzag in een grote behoefte. Al een jaar na de start in Sint Michielsgestel meldden zich 20 nieuwe leerlingen, terwijl 6 leerlingen voldoende onderwezen waren om de school te verlaten. Het totale aantal steeg daarmee van 46 naar 60 kweeklingen. In 1842 was het aantal inmiddels gegroeid tot 72, waarvan 55 geheel gratis waren opgenomen. Slechts 8 leerlingen betaalden het volledige kostgeld. Het is niet verwonderlijk dat de financiele situatie van het instituut precair bleef. Om de zware taak van Marinus van Beek enigszins te verlichten, werd de priester Martinus van Bommel aangesteld als vice-directeur en belast met financien. Hij zorgde voor uitbereiding van de drukkerij en de start in 1844 van de hostiebakkerij, zodat er meer geld binnenkwam. Ook ondernam hij pogingen om subsidie van het rijk te krijen, wat in 1842 een keer lukte. Pas na verhitte debatten in de staten Genraal kwam het rijk vanaf 1851 ieder jaar met F 2.000,- (ongeveer 900 Euro) over de brug.
Van Bommel en Slits nemen het roer over.
Nu het instituut enigszins op poten stond, was de pionier Van Beek toe aan een nieuwe uitdaging. Hij wilde ver weg naar Amerika, om daar met enkele Broeders Xaverianen van Brugge een Katholiek doveninstituut op te richten. Hij ging naar Brugge, maar de reis naar Amerika ging op onbekende redenen niet door. Toch bleef hij in Belgie, waar hij enkele jaren later directeur werd van het Anrwerpense doveninstituut. Hij bleef tot zijn dood in deze stad. Martinus van Beek overleed op 14 Oktober 1872 in armoedige omstandigheden, enkele dagen voor zijn 82e verjaardag. In Sint Michielsgestel nam Martinus van Bommel van 1851 tot 1864 het roer over. Hij voerde een zuinig financiel beleid, zodat het instituut in rustiger vaarwater terechtkwam. Nieuw Herlaer werd uitgebreid met een nieuw gebouw waarin de slaapzaal van de jongens, de drukkerij en de schoenmakerij onderdak kregen. De kleermakerij schoof door naar een groter ruimte. Alle geschikte jongens kondennu een ambacht leren. Iets wat; Hierdoor zijn zij aan de zoo verdrefelijke ledigheid onttrokken, en is hun een meer gegrond vooruitzicht geopend, dat zij naonderwezen te zijn door eigen handarbeid in hun onderhoud zullen kunnen voorzien. Op onderwijsgebied dtond eveneens van verandering op stapel. Na het vertek van Van Beek kreeg de priester Theo Slits de leiding over het onderwijs. Hij was een begenadigd leraar die de laatste ontwikkelingen op onderwijsgebied nauwlettend volgde. Bezocht hij vanaf 1855 instituten in Nederland, Duitsland, Belgie en Frankrijk. Het resultaat was de invoering van de gecombineerd systeem. Hierbij bleef gebarentaal weliswaar de bovenroom voeren als manier can communiceren, maar spreekonderwijs werd een van de vakken waaraan vooral doofgewordenenen slechthorenden konden deelnemen. In 1864 volgde Slits van Bommel op als directeur en bleef in functie tot zijn dood in 1876. Hij zag het instituut verder uitbreiden, zowel wat leerlingen als gebouwen betrof. Gedurende zijn directeurschap groeide het instituut van 102 naar 139 leerlingen, varierend in de leeftijd van 8 tot 16 jaar. Het door hem ingevoerde gecombinceerde systeem zou onder zijn opvolger Mgr C Terwindt, de belanrijkste lesmethode blijven. wordt vervolgd. Rene van der Veen.