Home » 142. Kwaliteitsverbetering bij dovenonderwijs IvD deel 3

142. Kwaliteitsverbetering bij dovenonderwijs IvD deel 3

1

2

3

4

5

6

7

8

9

Mijn dank aan Rene van der Veen

 

Reactie plaatsen

Reacties

Hannie Spikmans-Pouwels (Voorheen Zr. Margret)
3 jaar geleden

De 8 e foto van hierboven:
Leerkracht Hannie Pouwels in gesprek met Eveline Middelhoff, tijdens een taal-gespreksles in een klas op de voorschool. Eerste leerjaar. Leeftijd kinderen 4 jaar.

Rene van der Veen
7 jaar geleden

Lezers en Kijkers. Zie foto 7 en 8 in de klas in Dr van Udenschoool.
NAAR REGULIER ONDERWIS>
School Eikenheuvel speelde, samen met de Dr van Udenschool een belangrijke rol bij de intergratie van dove leerlingen in het reguliere onderwijs en contacten met de ;normalle' wereld. In de speciale editie van De Vriend uit 1984 schreef de inspectrice van het Buitengewoon Onderwijs;
""Wanneer het maar even kan, mogen kinderen hun neus buiten de deur van Eikenheuvel steken en deelnemen aan aktiiviteiten die in de omgeving plaatsvinden, zoals het bezoek van een reguliere basis of kleuterschool of bijvoorbeeeld het lopen van stages. Alhoewel integratie een zeerr moeilijke opgave is, wordt hierin veel tijd en energie gestooken. Dit wordt door de inspektie erg toegejuicht en naar vermogen gestimuleerd.'
De Dr van Udenschool was in 1987 ontstaan uit een fusie tussen de meisjesschool 'De Schakel' en de jongensschool
''De Theeredonk' . Dit waren de SO scholen waar de
'gewone' doven volgens de zuivere orale methode werden onderwezen. Naast spreken en spraakafzien kregen ze les in leezen, schrijven,rekenen en allerlei andere lagere schoolvakkeen. Aangezien de orale methode sterk gericht was op de integratie van dovenin de horendemaatschappij, werd ook de intergratie op reguliere scholen gestimuleerd. Ondderr het motto 'regulier waar het kan, bijzonder waar het moett' konden dove kinderen meestal ondersteund met ambulante begeleding naar een basisschool in de buurt. Ze hoeefden dan niet meer intern op het instituut te verblijven, maarr konden indien mogelijk thuis bij hun ouders blijven wonen..
GROTERE ZELFREDZAAMHEID.
Integratie in de maatschappij vroeg om een actieve houding, Leven en wonen binnen een instelling werkte echter eerder een afhankelijke positie en afwachtende houding in de hand Er werd immers van vroeg tot laat voor je gezorgd. Alles was strak georganiseerd, waardoor eigen intiatieven vaakk niet op prijs werden gesteld. Nieuwe inzichten in zorg en onnderwijs brachten daarin verandering.
Intergreren en een 'zo normaal mogelijk leven leiden' betekende behalve contact met anderen ook een grotere zelfredzaamheid.
Midden jaren 1980 begon het Instituut voor Doven daarom met Basiseducatie. Deze stelde deelnemers in staat om allerlei praktische vaardigheden te leren, wanneer ze zich in het dagelijkse leven beter konden redden. Denk daarbij aan persoonlijke ontplooiing, maatschappelijke weerbaarheid, taal, rrekenen en sociale vaardigheid.
FFoto 9. Bespreken met elkaar samen over de opvolger van Mijnnheer Jan van Eijndhoven.
AFSCHEID DIRECTEUR VAN EIJNDHOVEN.
In 1991 nam directeur Jan van Eijndhoven afscheid van het Instiituut voor Doven in Sint Michielsgestel. Hij was de laatste in de rij van zeven elkaar opvolgende priesterdirecteuren
( Mgr M van Beek, M v Bommel, T Slits, MGR C Terwindt, Mgr AA Hermus, MGr J v Overbeek en J v Eijndhoven)
die sinds de start van het instituut de leiding in handen hadden gehad. Voor het eerst in de gescheidenis zou er een leken-directie komen.
Als een echte 'onderwijsdirecteur' kon 'meneer Van Eijndhoven' (zoals hij door iedereen werd genoemd) terugkijken op een vruchtbare periode. Gedurende zijn directeurrschap werden tal van nieuwe activiteiten opgestart, kwamen nieuwe locaties tot stand en verhuisde menige vestiiging naar een nieuwe onderkomen. Om er enkele te noemen nieuwbouw van school De Theeredonk voor jongens (1971) verwerving Regina Coeli en start van Eikenheeuvvel in Vught (1973). De Wingerd in Vught (1975), nnieeuwbouw internaashuizen (1976-1979 en sociowoningen (1986). In 1981 werden ook de scholen Rafael, Mariella, De Vlonder en Eikenheuvel officieel door de overheid erkend. alls scholen voor meervoudig gehandicapte leerlingen; een kroon op het vele lobbywerk dat vanuit het Instituut voor Dovven werd gevoerd. Jan van Eijndhoven stond te boek als eeen directeur met een warm hart, die veel van de leerlingen, oud-leerlingen en ouders persoonelijk kende.
Het leiden van een grote instelling met (in 1980) zo'n 575 leerlingen en 700 medewerkers, was teveel voor een persoon,, DDaarom formeerde Van Eijndhoven in 1979 een drrieehoofdige directie met Ad Rommers en Toine van der Sanndeen. In 1985 en 1987 namen dezen afscheid. Ad Rommmerrs werd opgevolgd door Wim van den Dries en Jan Pierik volgde in 1991 Jan van Eijndhoven op.
TWEETALIGHEID EN MEER SAMENWERKING.
Bij het afscheid in 1991 van Jan van Eijndhoven vormden Periiekk en Van den Dries de tweehoofdige leiding van het Instituut voor Doven. Zij zouden enkele turbulente jaren tegeennmoet gaan, Jaren van ingrijpende veranderingen, waaarbbij vooral de invoering van tweetaligheid tot grote beroeerinng leidde. Meer dan 90 jaar lang had het Gestelse innsttittuut de 'spreekmethode' gehanteerd om 'normaal begaaafde' doven tot communicatie te brengen. Vanaf het midddenn van de jaren 1990 kwam daar ook gebarentaal bij, Naast de invoering van tweetaligheid was er vanaf het midden van de jaren 1990 nog een tweede belangerijk ontwikkkellinng. De Mgr Terwindtstichting en het Instituut voorr DDoven sloegen de weg in naar meer samenwerking, zowel onderling als met andere instellingen. Op deze manier wwerdd de ondersteuning van clienten beter verspreid over Nederland en was er meer onderlinge uitwisseling van kennis een ervaring. In het laatste hoofdstuk van dit boek komen beidde ontwikkelingen uitvoering aan bod.
Vervolg naar nieuwe fase 6.
Rene van der Veen.

Rene van der Veen
7 jaar geleden

Lezers en Kijkers. AMBULANTE BEGELEIDING.
Doordat steeds meer leerlingen na hun tijd op het Instituut voor Doven gingen deelnemen van (regulier) vervolgonder
onderwijs, onstond, onstond eeen grote behoefte aan studiebegeleiding. In 1965 startte het Instituut voor Doven met studiebegeleiding aan (oud-) leerlingen. In feite was dit de eerste vorm van ambulante begeleiding. "Ambulante' betekent 'zonder vaste verblijfplaats, rondtrekkend' En dat is precies wat de ambulante begeleiders doen. Ze trekken door het land en be-zoeken leerlingen en oud-leerlingen om hen in het reguliere onderwijs te begeleiden. Ze vormen de 'stille kracht' op de achtergrond. Het instituut kreeg van het Ministrie van Onderwijs vijf jaar lang subsidie voor de voorbereiding en begeleiding van dove leerlingen naar voortgezet onderwijs op middelbaar niveau. In het jaarverslag over 1968 - 1069 staat dat het experiment al vanaf de start een succes was. Ambulante begeleiding nam vervolgens een hoge vlucht.
Midden jaren 1980 kwam ook bij de Mgr Terwindstichting de ambulante begeleiding van leerlingen van de grond.
Jan Spanhoff herinnert zich ook de aanleiding daarvan. In Nijmegen gaf de Stichting voor Studentenhuisvesting extra zorg aan studenten met een handicap. Een Mevrouw van die stichting kwam om advies vragen over de omgang met slechthorende studenten. Dat waren leuke gesprekken,
Op een gegeven moment zeiden we: "Onze VSO- leerlingen van 18,19 jaar, die gaan ook het vervolgonderwijs in, Kunnen die niet met jullie meedoen?". Dat was moeilijk, want ze waren geen studenten. Toen begonnen we in eerste instantie voor het VSO met ambulante begeleiding, waarbij leraren de leerlingen thuis gingen ondersteunen. Er kwam daarna wetgeving over hulp aan leerlingen uit het speciaal onderwijs die naar het regulier onderwijs gingen. Samen met Jan Greefhorst hebben we dat verder ontwikkeld. Er was niks. Er was geen norm, geen huisvesting en gen middelen. Zo zijn we gaan pionieren en dat is uitgebouwd tot een duidelijke beleidslijn. Veel ouders pikten dat op en vroegen of ze ook voor hun jongere kind ambulante begeleiding konden krijgen, want een school dicht in de buurt was ideaal. Het scheelde reistijd en het kind dan in de buurt spelen. Daar hebben we veel werk van gemaakt en er mooie resultaten mee geboekt. Van de ruim 380 leerlingen die toen ambulante begeleiding kregen, waren er maar twee die niet in het reguliere onderwijs verder konden'. In 1985 werd de ambulante begeleiding bij wet geregeld. Deze vorm van ondersteuning was nu geen gunst meer, maar een recht.
Foto 4 Eikenheuvel in Vught. foto 5 Het groepsgrafisch apparaat en Foto 6 Canon Communicator.
HOE EEN ONTDEKKING LEIDDE NAAR EIKENHEUVEL.
Met ambulante begeleiding had de onderwijsboom van het Instituut voor Doven er vanaf 1965 weer een tak bij.
En de groei hield niet op. Aan de steeds verfijnde differentiatie van het onderwijsschool kwam voorlopig geen eind, zoals de gescheidenis van Eikenheuvel aantoont.
'Langzamerhand zijn we er in geslaad, al is het nog niet volmaakt, om op basis van diagnose onze leerlingen beter te selekteren en differentieren in diverse afdelingen'. zo schreef ivd-directeur Jan van Eijndhoven in het jaarverslag van 1970 - 1971. 'Ons doveninstituut moet niet gezien worden als een inrichting, maar als een veelheid van inrichtingen, scholen, internaten en afdelingen die zoveel mogelijk zelfstandig funktieren (...) Meervoudig gehandicapt zijn kan bij niet-insiders gemakkelijk de gedachte doen opkomen dat met deze betiteling direkt samengaat minder begaafd in de zin van minder intelligent zijn, Dat is beslist niet het geval. Het zijn juist de zeer instelligente meervoudig gehandicapte kinderen, die niet het geringste probleem vormen'
Om ook deze kinderen goede woon- en onderwijsmogelijk-heden te bieden, kocht het Instituut voor Doven in 1971 het complex 'Regina Coeli" in Vught. Dit was een voormalig meisjespensionaat met een Middelbare Meisjes school, geleid door Franse Zusters. In dit gebouw zou nu een school met internaat komen voor dove kinderen met een normale leeraanleg, die echter grote moeite hadden met spreken en spraakafzien (liplezen).
De basis hiervoor werd wederom gelegd door de priesterleraar en onderzoeker Antoine van Uden. Tijdens zijn doctoraalstudie aan de Katholieke Universteit in Nijmegen vroeg hij zich af waarom sommige dove kinderen, ondanks een goed instelligentieniveau, niet of zeer gebrekkig konden spreken. Hem viel bij deze kinderen op dat ze erg onhandig waren. Hij onderzocht of er wellicht een verband bestond tussen de gebrekkige motoriek en het spraakvermogen. In 1970 wijdde hij zijn doctoraalscripte aan deze bevindingen. Hij ontdekte dat er wel degelijk een verband bestond. Kinderen die bijvoorbeeld problemen hadden met de fijne motoriek van hun vingers, hadden vaak ook hun tong niet goed onder controle.
Op basis van testen maakte hij een indeling in kinderen met een vlotte motoriek en kinderen die hun ledematen moeilijk onder controle krijgen. Hij duidde deze laatste groep aan met de trem 'dyspractisch', zich onder andere uitend in 'onhandig spreken'. Bovendien kwam hij er achter dat deze dyspratische kinderen heel goed plaatjes en schrift konden onderhouden. Sterker nog; hun visueel geheugen was op dit gebied vaak beter ontwikkeld dan bij andere kinderen.
Deze vevindingen waren van fundamenteel belang voor verder onderzoek en voor de ontwikkeling van geschikte onderwijsmethodes En niet alleen daarvoor. In het instituut voor Dovenzaten ongeveer 60 van deze kinderen verspreid over allerlei afdelingen. In Vught zouden zij in een gebouw worden ondergebracht. Door een aangepast leerprogramma waren zij daar veel beter op hun plek. Het begin van 'schoolen internaat Eikenheuvel' was een feit.
De school ging in 1973 van start met 59 leerlingen en 18 leerkrachten. In een artikel over de gescheidenis van Eikenheuvel in De Vriend van 1984 memoreert Jan van Dijk; 'Toen in de jaren 1970 gestart werd met specifiek onderwijs aan dyspraktische kinderen, konden we niet vermoeden iets unieks geschapen te hebben. We wisten wel dat onze diagnose en onderwijsmethode de toest der kritiek konden doorstaan. We hpen en verwachten dat vele scholen en instituten voor doven ons voorbeeld zouden volgen. We waren er steeds aktief in collega's in binnen en buitenland op de hoogte te brengen van onze werkwijze. We wisten dat op vele plaatsen in de wereld dove kinderen in klassen zaten waar ze niet in thuis hoorden. Vele leerkrachten en schoolleiders hebben er geen erg in, dat sommige dove kinderen (verborgen) leerstoornissen hebben, Laat men dergelijke kinderen zonder speciale aanpak in de klas zitten, dan wordt niet alleen hun eigen ontwikkeling geremd, maar ook die van de klasgenoten'.
Aangezien de kinderen vooral goed afbeeldingen en schrift konden onderhouden, werd hierop ook de onderwijsmethode gebaseerd. Dit werd de 'methode van het grafisch gesprek' genoemd. Leerlingen en docenten communiceerden via pen en papier, via uitgeschreven gesprekken op het bord of via de speciaal ontwikkelde 'communicator' en het 'groepsgrafisch apparaat'. ok leerden kinderen vingerspelling waardoor ze beter met elkaar konden communiecren. In de loop van het bestaan van school Eikenheuvel bereidde de doelgroep zich uit. Ook kinderen met een sesomotorische bespreking konden er terecht, evenals clienten met een contactstoornis.
School Eikenheuvel groeide dan ook uit z'n jasje. Jarenlang boden 'portakabins' onderdak aan leslokalen, totdat nieuwbouw in 1994 uitkomt bood.
wordt vervolgd. Rene van der Veen.

Rene van der Veen
7 jaar geleden

Lezers en kijkers. Foto 1 OUDE BARAKKEN.
De Martinus van Beekschool begon in 1959 in de Barakken aan de Acaciastraat in Nijmegen. In 1964-1965 is de school in twee delen verhuisd naar de Koolemans Beijnenstraat. Deze School was veel te klein en er moesten barakken bij. Binnen een omheinde speelplaats waar tuinen en huizen aan grensden werden vijf lokalen in barakken neergezet. Speelruimte was er al bijna niet meer, maar we zaten in ieder geval bij elkaar.
Daar is de school vrij fors gegroeid tot ongeveer 120 kinderen.
Jan Spanhoff. Interview 2002
MARTINUS VAN BEEKSCHOOL>
Foto 2 en 3 Nieuwbouw van de Martinus van Beekschool en ruimte leslokalen in de Martinus van Beekschool.in jaren 1980.
MARINUS VAN BEEKSCHOOL.
In 1974 werd de Mgr Terwindtstichting een tweede school rijker, namelijk de in 1959 opgerichte school voor slechthorenden "Martinus van Beek" gevestigd op de Koolemans Beijnenstraat in Nijmegen. Een conflict tussen personeel en directe van deze school vormde de aanleiding om aansluiting te zoeken bij ' Terwindt ". Binnen Het onderwijs van de Martinus van Beekschool vonden in de loop der jaren enkele ontwikkelingen plaats, die in vogelvlucht de revue passeren.
Het traditionele onderwijs had een vrij vaste structuur. Er waren in tegenstelling tot het dovenonderwijs, nog geen methodes ontwikkeld. 'We moesten alles vertalen en maakten veel eigen materiaal'. herinnert Jan Spanhoff zich, die al vanaf 1964 werkzaam was op deze school en er later directeur van werd. 'Maar de ontwikkelingen in het slechthorendenonderwijs gingen door en er kwam nieuwe apparatuur. Daardoor werd het mogelijk ook zwaaarder slechthorenden te helpen'.
De kinderen met middelmatige slechthorendheid kregen aangepaste hoorapparaat en werden door het audiologisch centrum in Nijmegen verwezen naar het reguliere basisonderwijs. Jan Spanhoff: 'Een goede ontwikkeling. Het gevolg was wel dat er steeds meer zwaardere slechthorenden naar onze school kwamen. We hebben intensief contact met het kinderaudiologisch centrum van het Radboudziekenhuis.
We vulden elkaar aan, steunden en vertrouwenden elkaar'
In 1977 verhuisde de Martinus van Beekschool naar een nieuw gebouwde locatie in Nijmegen aan de Ijsbeerstraat.
Dit opende de weg naar nieuwe mogelijkheden. Midden
jaren 1980 werden er kinderen aangemeld met spraak-
problemen door een afwijking in het spraakapparaat, bijvoorbeeld door een harzenlip of een spleet in de gehemelte. Ook kwamen de kinderen met gedrags -
problemen. Jan Spanhoff. 'De afdeling stem en spraak van het Radboud kon deze kinderen nergens goed onderbrengen. Niet bij het ZMLK onderwijs en niet naar de LOM-school, want daar zouden ze ondersneeuwen. Ze vroegen of wij misschien een oplossing wisten. Daar zijn we men ingestapt. Er kwam een hele nieuwe categorie kinderen binnen. We hebben veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van een goede diagnose en didactiek.
De leerkrachten waren daarover enthausiast, en daar moest je het uiteindelijk van hebben. We kregen ook allerlei extra steun, zoals logopedie. Ik heb 24 jaar in de landelijke vereniging gezeten voor dit type onderwijs en heb ook met de ministers Duisenberg en Van kennenade aan tafel gezeten om logopedie onderwijskundig geindiceerd te krijgen, want dat ging tot die tijd alleen maar op een medische gronden. Met enkele collega's hebben we de koppen bij elkaar gestoken. Zo hadden we veel kunnen bereiken om de ondersteuning vorm te geven. Dat vernieuwende ook in de jaren 1980 en 1990 een heleboel mensen aan, zowel leerkrachten als assistenten, logopedisten en de commissie van onderzoek. Dat was een hele mooie tijd. We groeiden van 30 medewerkers naar 60 en uiteindelijk naar 100',
VSO DE MARWINDT.
Met het ouder worden van de leerlingen, werd de behoefte van voortgezet onderwijs sterker. Net als hij het Instituut voor Doven kreeg ook de Mgr Terwindtstichting een eigen school voor Voorgezet Speicaal Onderwijs (VSO). Eind jaren 1970 werd de 'VSO Martinus van Beek' opgericht van afsplitsing van de Marinus van Beekschool. De leerlingen kregen les in vakken van de regulier basisschool aangevuld met duits, engels, wiskunde, handelskennis en huishoudkunde. Afhangelijk van de richting konden leerlingen ook lessen volgen in bijvoorbeeld kinderenverzorging, maatschappijleer en kantoot en winkelpraktijk.
De Mgr Terwindtschool wilde ook een voortgezette op-
leiding geninnen, maar kreeg daarvoor geen toestemming van het Ministrie van Volksgezondheid. Na Protesten mocht de school bij wijze van compromis wel praktisch onderwijs geven aan oudere kinderen.
In 1998 werden de bovenbouwleerlingen (ouder dan 12 jaar) van de SO Mgr Terwindtschool overgedragen aan VSO Martinus van Beek. Deze wiiziging leidde tot een nieuwe naam voor de VSO school, namelijk VSO DE Marwindt. Deze naam is opgebouwd uit ' Martinus van Beek ' en ' Terwindt " en symboliseert de samenvoeging.
Foto 3 BEHELPEN.
Ik begon in 1976 als secretaresse op de VSO Martinus van Beek in Nijmegen. De VSO was net een aparte school geworden. WE zaten nog in een oud schoolgebouw aan de Koolenmans Beijnenstraat. Het gebouw was veel te klein. Mijn bureau stond in een doorloopkantoor. Het was eigenlijk de gang naar de kelder, waar de psyoholoog en logopedie zaten. En er was ook een toliet!. Het was behelpen, maar de sfeer was heel goed. Jan Greefhorst was er directeur, echt een man die je wist te boeien. Hij was een inspirerende leidinggevende, met als motto. 'We doen het met z'n allen'. Hij maakte er een hechte club van, Echt geweldig. Ik had vroeger ook in het onderwijs gewerkt en daar was de adminstratie altijd een apart gedeelte. Jan vond dat de adminstratie en ook de concierge bij het team hoorden.
Als er werd gegeten, dan werd iedereen uitgenodigd. Niet alleen de leerkrachten, maar iedereen hoorde erbij!.
Anneke Vijverberg. Interview 2002
Wordt vervolgd. Rene van der Veen.